Antistollingsmiddelen, waarom krijg ik ze?
U heeft van uw huisarts of specialist gehoord dat u antistollingsmiddelen moet gaan gebruiken. Deze medicijnen noemen we ook wel ‘bloedverdunners’. De behandeling moet ervoor zorgen dat uw lichaam geen bloedstolsel ontwikkelt. Of met een medische term: een trombose. Voorbeelden van trombose zijn een trombosebeen en een hartinfarct of herseninfarct (bloedstolsel in een slagader). Heeft u al een vorm van trombose gehad? Dan voorkomen de antistollingsmiddelen dat het bloedstolsel groeit of terugkeert. De behandeling helpt uw lichaam om het stolsel af te breken of ‘in te kapselen’.
Het antwoord op uw vragen
Op deze website vindt u praktische informatie over antistollingsmiddelen. Bijvoorbeeld welke soorten er zijn, het nut van de antistollingspas en de risico’s op bloedingen. Ook de trombosedienst en het meten van uw INR komt aan bod.
Heeft u zelf een vraag? Kijk bij de veelgestelde vragen of u hier het antwoord kunt vinden. Als dat níet zo is, stel dan uw vraag via info@tacnh.nl
Wanneer groter risico op trombose?
Er zijn aandoeningen of situaties die een grotere (herhalings)kans op trombose geven. Dit geldt bijvoorbeeld:
- bij de hartritmestoornis boezemfibrilleren
- na een trombosebeen of longembolie
- na een hart- of herseninfarct
- na het plaatsen van een kunsthartklep
Zorg dat u weet wat u slikt en waarom. En zorg goed voor uzelf!
Vraag de gratis Antistollingspas aan!
Wij adviseren u bij gebruik van bepaalde bloedverdunners een antistollingspas bij u te dragen! Klik hier voor meer informatie.
Het laatste nieuws
Afscheid Laura Faber
FNT en Landelijk Netwerk Antistollingszorg bundelen krachten
Interview met Laura Faber, medisch leider van Starlet en TACNH: alles over een veilige antistollingszorg in onze regio
E-learning