Ketenzorg antistolling
Laag versus hoog complexe antistollingszorg
| Laag complex | Reden voor verwijzing naar medisch specialist |
Hoog complex |
|---|---|---|
| Chronische antistolling met één middel (DOAC of VKA) bij atriumfibrilleren |
Indicatiestelling verlengde antistolling bij (vooral) idiopathische VTE |
Duur en indicatie alle combinatie-behandelingen VKA/DOAC met TAR of duale TAR-therapie of triple therapie |
| Initiëren antistolling bij diepe veneuze trombose (DVT) of oppervlakkige tromboflebitis |
Afweging voortzetten DOAC-behandeling bij patiënten met nierfunctieverlies (eGFR <30 ml/min); bij dabigatran eGFR< 50 |
Initiële antistolling bij longembolie |
| Verlengde antistolling (> 3 maanden) bij VTE (NB: indicatiestelling is reden voor overleg -zie hiernaast) |
Frequente klinisch relevante niet-majeure bloedingen onder VKA/DOAC en/of TAR |
Antistolling bij hartkunstkleppen |
| Primaire en secundaire preventie atherosclerotisch vaatlijden met één TAR |
Trombo-embolische gebeurtenis of recidief onder adequate antitrombotische medicatie (bijvoorbeeld herseninfarct of recidief VTE) |
|
| Herstart DOAC/VKA of TAR na majeure bloeding |
||
| Elke noodzaak antistolling in de zwangerschap en/of kraambed |
||
| Duur van antistolling rondom (electieve) ablatie en/of cardioversie bij atriumfibrilleren |
||
| VTE op ongebruikelijke locaties (buiten long of been) |
||
| Antistolling tijdens chemo- of immunotherapie |